| |
Mensen die deze weblog frequenteren, zullen hebben gemerkt dat ik ze niet spaar: je moet de tijd nemen voor mijn hersenspinsels en verder ook je hersens laten werken. Dat komt omdat ik een onverbeterlijke schoolmeester ben. En omdat ik nu eenmaal geloof dat de mensheid niet wordt verheven doordat ik op mijn hurken ga zitten als ware de mensheid een kleuterklas. Eerder het tegendeel: we doen er goed aan om met zekere regelmaat te proberen boven onszelf en ons dagelijks getwitter en gekwebbel uit te stijgen. Dat kost wat moeite. Maar het kan ons wel wijzer maken.
Dezer dagen ben ik op NRC-Opinie verwikkeld in een discussie over de Nederlandse Staatsschuld en hoe we daar vanaf zouden kunnen komen. In die discussie wordt een hoop onzin verkondigd waarbij de onderbuik bij een aantal discussianten nogal opspeelt. Maar hier en daar worden toch ook verstandige dingen gepost die mij inspireren. Hierbij de weergave van een gedeelte van de discussie.
Het is een ware hype om te bezuinigen. Iedereen roept om het hardst om te bezuinigen. Maar is dat ook nodig? Schreeuwende politici blèren dat het staatskasboekje net zo werkt als een gezinshuishoudboekje. Maar macro-economen weten al heel lang dat dat niet zo is; kijk maar naar de definities voor de Nationale Rekeningen door het Centraal Bureau voor de Statistiek, Eurostat of de Verenigde Naties. Geld dat de staat uitgeeft, komt grotendeels vanzelf terug; dat is al eeuwenlang bekend. Doe maar eens een gedachte-experiment en volg in gedachten wat er met het geld dat de staat bijv. aan ambtenaren uitbetaald, waarna ambtenaren het uitgeven aan belastingen, lonen en goederen, de bedrijven vervolgens aan belastingen, goederen en lonen, enz. enz. enz. Via een kaasschaafmethode komt het meeste terug. Afhankelijk van een aantal andere factoren, komt er teveel of te weinig terug. Maatgevend voor het staatshuishoudboekje zijn de betalingbalans en de besparingen. Als de betalingsbalans positief is, dan blijft er maar geld naar de staat vloeien en verdwijnt een staatsschuld vanzelf. Dat is voor Nederland al decennia lang het geval. Waar komt die staatsschuld dan vandaan? Gewoon uit de besparingen. De netto-besparingen zijn gelden die niet uitgegeven worden en dus niet naar de staat kunnen terugvloeien. Die gelden worden dan aan de staat of het buitenland uitgeleend. Natuurlijk, gelden die voor binnenlandse investeringen worden aangewend, die vloeien wel naar de staat terug. In Nederland zitten we met een in de wereld uniek pensioenstelsel. Daarmee worden geweldige hoeveelheden geld opgepot, die niet naar de staat kunnen terugvloeien. Daar ligt de oorzaak van de staatsschuld. Dus niet een teveel aan uitgaven, niet een tekort aan inkomsten, maar simpel het oppotten van pensioengelden. Voor de pensioenpremies is aftrek van belasting verleend. Dat is geen subsidie zoals sommige politici schreeuwen, maar het is een uitstel van belasting. Immers als de pensioenen worden uitbetaald wordt er belasting geheven. Maar tegen de tijd dat dat gebeurd, zijn er al weer nieuwe pensioenaanspraken opgebouwd met uitgestelde belastingen. Zo wordt in Nederland een geweldige pot aan belastingtegoed continu naar de toekomst verschoven. Zo blijft er een continue staatsschuld. Dat tegoed van de staat is een bedrag van tussen de twee- en driehonderd miljard Euro. Volgens internationale afspraken mag dat tegoed niet van de staatsschuld afgetrokken worden, dus hebben we een probleem. Dat probleem is eenvoudig op te heffen door een voorheffing op de pensioenreserves en vanaf nu op de pensioenpremies te doen. Op het moment van uitbetalen moeten dan de pensioenen wel weer op overeenkomstige wijze gecompenseerd worden. Uiteindelijk wordt de staat er niet beter of slechter van. De pensioengerechtigden worden niet benadeeld. Dus er verandert eigenlijk niets. Toch verandert er iets: de papieren staatsschuld is weg en het overheidstekort is weg doordat de rentebetalingen wegvallen. En dan hoeft er niet bezuinigd te worden. Dan kunnen we ons eindelijk eens met echte problemen bezig houden.
Van Hoorn laat m.i. op juiste wijze zien dat uitgerekend Nederland met een in de wereld vrijwel uniek pensioensysteem zich minder druk hoeft te maken over zijn staatsschuld dan vele andere landen die dat systeem niet kennen. Ik zou het overigens op prijs stellen als van Hoorn hier kan melden welke internationale afspraak verbiedt om het bedrag aan in pensioenfondsen gereserveerde belasting in mindering te brengen op de staatsschuld. Ik ken deze niet.
Ik proef uit zijn betoog ook dat we de staatsschuld zouden kunnen aflossen met een voorheffing op de pensioenfondsen. Op dit onderdeel kan ik het maar zeer gedeeltelijk met hem eens zijn. Een dergelijke voorheffing noopt tot omvangrijke liquidatie van beleggingen in obligaties, aandelen en onroerend goed met alle gevolgen van dien voor opbrengsten etc.
Misschien is het een idee dat pensioenfondsen verplicht worden om staatsobligaties te kopen tegen een (voor de Staat) aantrekkelijk rentetarief en/of iets beneden pari zolang de staatsschuld boven x % BNP bivakkeert. Dan doen pensioengerechtigden (via de pensioenfondsen) iets terug voor de genoten fiscale faciliteiten die zij tegelijkertijd genieten. Dit idee doet bij ouderen mogelijk schrikbeelden opdoemen over de gedwongen winkelnering die het ABP jarenlang gekend heeft. Maar daar valt overheen te stappen als de wederzijdse voordelen maar goed voor het voetlicht worden gebracht.
Die internationale afspraken zijn op verschillende platforms vastgelegd. Het gaat om definities op het gebied van de Nationale Rekeningen. Die definities zijn vastgelegd door de Verenigde Naties (System of National Accounts), de Wereldbank, de OECD en de EU (Eurostat). Die definities zijn zodanig dat alleen aanspraken op tegoeden waarvan de omvang nauwkeurig vastgelegd zijn, van de staatsschuld afgetrokken kunnen worden. Voor de uitgestelde belastingen op de pensioenpremies staat het tarief niet vast (men kent de tarieven in de toekomst niet, men kent de inkomensklassen van de toekomstige pensioengerechtigden niet), dus kunnen ze niet van de staatsschuld afgetrokken worden. Op dezelfde wijze kunnen staatsbezittingen niet van de staatsschuld afgetrokken worden, men weet namelijk niet wat die bezittingen zullen opbrengen. Daarom is de staatsschuld zo hard opgelopen, men kent de toekomstige waarde van de door Bos opgekochte banken niet.
Dat deze definities voor Nederland zo nadelig uitpakken, is een gevolg van het unieke pensioenstelsel, waar de grote landen geen boodschap aan hebben en de definities niet wensen aan te passen. Door een voorheffing worden die internationale definities omzeild, maar wel op een gerechtvaardigde manier (dus niet op basis van trucs zoals Griekenland recentelijk deed).
Overigens heeft een oplettende belastingambtenaar in het verleden gelukkig tijdig aan de bel getrokken toen men vrij kapitaalverkeer voor pensioenen wilde introduceren. Dat zou betekenen dat pensioengerechtigden zonder belastingbetaling naar het buitenland konden verdwijnen. Dat is gelukkig onmogelijk gemaakt.
Pensioenfondsen kopen al lang massaal staatsobligaties. Ik ben er niet geheel zeker van, maar ik geloof dat ze zelfs verplicht zijn voor een deel in staatsobligaties te beleggen. Betaling is heel eenvoudig, ze kunnen in de vorm van staatsobligatie of eventueel andere obligaties betalen. Mocht dat niet voldoende zijn, dan leent de staat ze wat geld, dat ze in korte tijd kunnen terugbetalen uit premie-inkomsten, andere inkomsten en aflopende obligaties e.d. Natuurlijk is het niet de bedoeling de pensioenfondsen in problemen te brengen. Maar ze kunnen het of meteen of binnen een paar jaar probleemloos betalen.
Het belangrijkste is dat de staatsschuld op korte termijn verdwijnt en dat kan niet bereikt worden door meer leningen door de pensioenfondsen.
Geachte heer van Hoorn:
Dank voor uw heldere aanvullingen op uw eerste posting. Ik zal zeker de door u vermelde artikelen gaan lezen.
Ondanks de internationaal vastgestelde definities (zijn die overigens gelijk?) mogen we best beseffen dat Nederland wel degelijk beschikt over een extra financieringsbron van de staatsschuld in de vorm van pensioenfondsen. Daarin is Nederland – samen met slechts de Scandinavische landen en Japan als ik mij niet vergis – uniek in de wereld. Weinig mensen weten dat het ABP het grootste pensioenfonds ter wereld is na het pensioenfonds van de Japanse overheid…….
Het zal zijn dat de internationale standaards een belemmering opleveren omdat inderdaad niet exact bekend is hoe de toekomstige belastingopbrengsten van gepensioneerden zich precies zullen ontwikkelen. Maar langs actuariële weg valt zeer goed een uiterst conservatieve schatting te maken van in ieder geval de minimumposities over stel 15 jaar: minimaal x gepensioneerden tegen minimaal y gemiddeld brutopensioen tegen minimaal 25 % Inkomstenbelasting = Z gegarandeerde belastinginkomsten. Dit valt ook contant te maken tegen marktprijzen 2009/2010.
Blijft bij mij nog de vraag hoe de pensioenfondsen op redelijk korte termijn kunnen worden ingezet ter leniging van de lasten van de staatsschuld.
Er zijn twee soorten lasten te lenigen: de rentebetaling en de aflossing. Uw pleidooi voor een voorheffing (en dus voor versnelde aflossing) doet mij twijfelen vanwege het risico van kapitaalvernietiging bij gedwongen grootscheepse verkoop van activa door pensioenfondsen. Ik heb daarom een zekere voorkeur voor het onderbrengen bij fondsen van een (gedeelte van) de staatsschuld tegen een lagere rente dan de marktrente. Dit leidt dan tot vermindering van de rentebetaling door de staat – toch niet te versmaden zou ik zeggen.
Wellicht is ook een mengvorm tussen versnelde likwidatie en verminderde rentebetaling te overwegen.
Een beschouwing door een econoom (u wellicht?) in bijvoorbeeld ESB of NRC kan wellicht bijdragen aan het terugbrengen van de actuele staatsschuld-hysterie in Nederland tot meer normale proporties.
Ik wil ook geen snelle liquidatie van bezittingen. De pensioenfondsen hebben op diverse manieren al heel veel aan de overheid geleend. Dat kan zo verrekend worden, dan heeft er geen liquidatie plaats. Mocht het bezit aan diverse vormen van leningen niet voldoende zijn, dan kan de pensioenfondsen op een redelijke manier uitstel van betaling verleend worden. Er komen zoveel premies, renteontvangsten en dividenden binnen en er vervallen regelmatig zoveel leningen dat de pensioenfondsen dat eventuele laatste restje binnen een paar jaar kunnen betalen. Er is dus absoluut geen kapitaalvernietiging. Alles moet in redelijkheid gebeuren.
Onderbrengen in een fonds helpt niet, want dan geldt het voor de internationale monetaire instituten nog steeds als staatsschuld en wordt Nederland middels internationale afspraken gedwongen om heilloze maatregelen te nemen om de staatsschuld te reduceren.
Publiceren in ESB of kranten heeft geen zin, want dat is in het verleden al meerdere keren gebeurd. Men praat er over en na drie dagen is men het weer vergeten.
Misschien moet er maar eens een AntiBezuinigingsPartij opgericht worden. Grappig, dat is dezelfde afkorting als die van het grootste Nederlandse pensioenfonds en de derde belegger in de wereld. Dat laatste toont aan hoe absurd de situatie is: het pensioenfonds van slechts eén beroepsgroep binnen een klein landje is de derde vermogensbeheerder in de wereld! En dan denkt bijna iedereen nog dat dat geen enkele economische consequentie heeft.
Dank voor uw nadere uiteenzetting. Nu u aarzelt om uw zienswijzen in een beschouwing nader uit te werken en te presenteren, wil ik een poging doen om de zaak wat concreter te maken. In de hoop dat bijvoorbeeld Maarten Schinkel (economieredacteur van de NRC) kan worden bewogen tot een column.
Bij mijn weten bedraagt de Ned. staatsschuld thans 350 miljoen = 60% BNP. De Stabiliteitspact-norm is 40% dus de staatsschuld zou moeten dalen met 1/3 = 120 miljard. De termijn waarop stel ik op 5 jaar.
Binnen die periode zal de Min van Fin in de eerste plaats afwillen van ABN/AMRO/Fortis. Ik schat de opbrengst (conservatief) op 20 miljoen. Tevens zal in die periode ING zijn lening van ik meen 10 miljoen moeten (en kunnen) hebben afgelost.
Verder mogen we rekenen met een inflatie-effect op de staatsschuld. Ik stel dat op 1,5% per jaar voor de komende 5 jaar. Daardoor daalt de staatsschuld als % van het BNP met nog eens 7,5% = 20 miljard (conservatief afgerond).
Resteert aan af te lossen staatsschuld een bedrag van 70 miljard.
Is het reëel te veronderstellen dat die 70 miljard in de vorm van staatsleningen geparkeerd is bij de pensioenfondsen? Het belegd vermogen van die fondsen bedraagt thans ongeveer 600 miljard als ik mij niet vergis. Bij een gelijke verdeling van de beleggingen over obligaties/aandelen/onroerend goed is dat inderdaad een reële veronderstelling: 200 miljard zou in obligaties moeten zitten. Het lijkt mij dan reëel te veronderstellen dat die 70 miljard huidig staatsschuld-excedent inderdaad in de pensioenfondsen zit.
Als ik met u aanneem dat de pensioenfondsen hun bijdrage leveren in 5 jaar door kwijtschelding van staatsleningen, zou dat gemiddeld per jaar 14 miljard kwijtschelding betekenen.
Voor de pensioenfondsen geldt een minimaal dekkingspercentage van 105 %. Als ik goed ben geïnformeerd zitten die fondsen thans (aan het begin van aantrekkende economie) reeds op dit %. Maar men streeft in pensioenkringen een hoger percentage na van 110% of meer. Zelf zie ik dat als hollebolle-Gijs-gedrag waartoe geen enkele aanleiding is, maar de feitelijkheid is dat het wel wordt gerealiseerd zoals het verleden heeft laten zien. Dat beleggingsexcedent is dan tegen huidige prijzen minimaal 30 miljard.
Als nu de pensioenfondsen worden verplicht tot betaling van vennootschapsbelasting over beleggingswinsten die het pensioenkapitaal doen uitstijgen boven de eerdergenoemde 105%, hebben we via die heffing per jaar reeds een bedrag van 10 miljard binnen. Het verder opkrikken naar 14 miljard moet dan nauwelijks een probleem opleveren.
De gezamenlijke pensioenfondsen zouden kunnen overwegen om een aanbod te doen aan de Min. van Fin.: gedurende 5 jaar jaarlijks een bedrag van 14 miljard aan staatsobligaties kwijtschelden in ruil voor tijdelijke vrijstelling Vennootschaps-belasting.
De Nederlandse bevolking heeft de afgelopen twee jaar via de Min van Fin het nodige gedaan om de economie overeind te houden. Daarvan hebben ook de pensioenfondsen geprofiteerd. Een gebaar hunnerzijds lijkt mij dan alleszins redelijk.
|
2010 week 12 heeft in het teken gestaan van de naderende ouderdom. Om het maar zonder omhaal van woorden te zeggen: een kaakchirurg heeft uit het linkerdeel van mijn gebit (van mij uit gezien) restanten van een aantal voormalige kiezen verwijderd. Waar het gaat om medische verrichtingen ben ik een schijthuis eerste klasse: de aanblik van een hospitaal reeds doet het wee worden in mijn maag. Sterker nog: bij een blauw verkeersbord met daarin een witte H wend ik onmiddellijk het hoofd naar andere verkeersgeneugten. Maar het moest een keer gaan gebeuren nadat ik de afgelopen maanden verslaafd dreigde te geraken aan de IbuProfen en andere stofjes die kiespijn helpen onderdrukken.
Ik bespaar u verdere details van de verrichte verrichtingen. Slechts meld ik dat een kaakchirurg iemand moet zijn met spierballen als ik terugdenk aan de het gewroet, getrek en gepeur. Plus kan ik melden dat de mensheid het meeste lijdt onder hetgeen men vreest. Want – ik kan het nu uit eigen ervaring vertellen - zelfs die paar verdovingsprikjes zijn de moeite van het vermelden niet waard. Ik kijk dus in het volste vertrouwen uit naar de dag dat mijnheer de kaakchirurg zich stort op het rechtergedeelte van mijn kakement. Kaakchirurg en ik hebben een vervolg-date voor over een week of twee. Niet dat ik er echt naar uit kijk. Maar mijn gaan en ondergaan zal een stuk manmoediger zijn dan de eerste keer.
Zal ik er al met al fraaier op worden? Ga ik mijn verder leven verder met een ingevallen bekkie? Is mijn verder voorland een kleppertje in het bekkie? Ik weet het allemaal niet. Wat mij betreft doet het er ook niet toe: vroeger was ik een mooie vent (denk ik) en mooier dan ik toen was word ik echt niet meer. Hoewel: als ik ’s-ochtends mij in mijn bijna-blootje weeg, dan mag dat gewicht er wezen - al zeg ik het zelf. En als ik dan even voor de spiegel de buik laat zijn wat hij kan wezen: nou dames… Maar ik geef toe: ik zou ook wel weer die roestige halters ter hand kunnen nemen.
Maar gaat het uiteindelijk niet om de rijpheid van de mens? Om wat hij of zij aan innerlijke waarde mee neemt en te bieden heeft in en aan dit ondermaanse? Levenservaring – bij voorkeur van de doorleefde soort? Bewezen in staat tot platonische liefde – hetgeen heel iets anders is dan liefde die zich niet mag afspelen tussen de lakens? De jaloezie voorbij? Ik geef het allemaal slechts ter overweging.
Nadat ik de aanslagen op mijn lichamelijke integriteit achter de rug had en geïntegreerd in mijn totale leven, heb ik mij gestort op de keuken in mijn nieuwe appartement. Op het moment dat ik dit alles aan Microsoft Word toevertrouw, ben ik zo ongeveer op ¾. Ik ben nu eenmaal een langzame doch gestane zwoeger. Maar dat met die keuken: dat zal wat worden!
Zondag een zeilmaat van mij geholpen met het schilderen van diens boot. Vorig jaar een uitstekend zeilweekend met hem gehad in de Zeeuwse wateren. Dat schept verplichtingen vind ik. Maar ook vooruitzichten want we hebben ons reeds verkneuterd bij het vooruitzicht dat we ergens dit jaar weer zullen aanlanden ergens in Zeeland om oesters te brengen tot hun glorieuze bestemming: het passeren van een menselijke huig! Kauwen hoeft niet……
|
Alle afleveringen over Pirsig doen vermoeden dat ik de laatste tijd nog maar een ding doe: Pirsig lezen.
Niets is minder waar.
Een klein overzichtje van faits divers van de afgelopen weken.
Om de twee weekends naar Francoise te Parijs. Aldaar elk weekend weer exposities kijken. Een van de leuke dingen van Parijs is dat er altijd wel een bijzondere expositie is te zien. De Engelse schilder Turner (een voorloper van de impressionisten) in het Grand Palais. Het Musee de la Vie Romantique dichtbij de Boulevard Clichy; wonderschoon klein museumpje met daar op dit moment wat Chopin-parafernalia ter gelegenheid van diens eeuw dood. In Palais Chaillot -Trocadero tegenover de Eiffeltoren – is een vleugel gewijd aan de Franse architectuur: replica’s van fronten van kathedralen en nog wat grootscheepse Franse dingen. Ook leuk om te zien. Alle cultuur afgewisseld met hapjes eten links en rechts te Parijs.
Afgelopen weekend na vele maanden barre winter weer enkele uren in mijn Frans buitenverblijfje geweest. Aldaar in bange verwachting losgekoppelde waterleidingen weer gekoppeld. Hoofdkraan open. Geen lekkages! De waterleiding die ik vorig jaar met Martijn had vernieuwd was de winter goed doorgekomen. Een ware opluchting kan ik u allen vertellen – met veel dank aan Martijn. Van de weeromstuit de voortuin ook nog gemaaid. Het zwikkie staat er weer knappies bij – en dan moeten de rozen nog gaan uitkomen. Nou: dat zal gebeuren kan ik u nu al verklappen.
Het weekend daarvoor met mijn twee dochters de zaterdagavond doorgebracht in café De Bel in het Oude Noorden. Meer in het bijzonder een ska-bandje gehoord en gezien. Ik had de uitnodiging daartoe aangenomen met enige scepsis: ik wist absoluut niet wat ska was. Had mij ingesteld op een uurtje techno-takkeherrie. Of oervervelend gerap door zo’n knul met laag kruis. Nou: dat viel alleszins mee. Huizenhoog zelfs. Van de weeromstuit een hele avond gebleven. Ik geef graag gewonnen dat volop aanwezig jong-vrouwelijk schoon (en dan bedoel ik niet alleen mijn beide dochters) daar ernstig bij geholpen heeft.
Zakelijk, werk etc.: mijn laatste colleges dit jaar gegeven aan de Erasmus over het boeiende onderwerp in- en uitvoer in de omzetbelasting. Dat was behoorlijk vermoeiend kan ik u vertellen. Ik weet niet of ik na de vakantie weder op het slappe universiteitskoord zal verschijnen. Eerst maar die aanstaande mooie zomer laten komen. Daarna kan ik altijd nog beslissen of ik mijn laatste maanden ambtelijk bestaan zal afwisselen met het dienen der wetenschap.
Gestemd voor de gemeenteraad. En mij vervolgens verbaasd over alle herrie die dat weer heeft gegeven. Met veel tevredenheid kennisgenomen van de nadien ontwikkelde kamikazestrategie van Balkenende. Ga zo door, ventje!
Op een verloren momentje de Reli-test gedaan op de website van het dagblad Trouw. Ik verwachtte al dat ik qua ‘Christelijk angehaucht zijn’ laag zou scoren. Maar helemaal nul/naks/noppes: dat had ik nou ook weer niet gedacht. Wel bleek van een vleugje Boeddhisme en een stevige hoeveelheid agnosticisme. Weet ik (en u nu ook) dan weer.
Afijn: het ziet er allemaal wat chaotisch uit. En ook niet allemaal in historisch verantwoorde volgorde. Maar u ziet: het lezen van Pirsig heeft mij niet tot een kluizenaarsbestaan gebracht.
|
Veel mensen die ZKM ter hand hebben genomen vertellen dat ze ergens in het boek zijn gestrand: het is allemaal reuze interessant maar op een gegeven moment gaat het toch boven de pet. Ik vermoed dat veel van die mensen zijn gestrand in Deel 3 van het boek waarin Pirsig pas echt het filosofisch hooggebergte in gaat (het is natuurlijk geen toeval dat hij in dat deel dan ook met zoon Chris een voettocht loopt in het gebergte bij de De Weeses vandaan). Veel mensen lezen ZKM waarschijnlijk bij wijze van tijdverdrijf: in de vakantie, ter verstrooiing in de schaduw gedurende hete middagen. Dan ben je meestal niet in de modus om zware filosofie door te ploegen: wanneer gaan we aan de middagborrel? Je slaagt er niet echt in om te lezen met “onbezwaard gemoed”:
Deel 3 is ook gelijk het omvangrijkste deel van het boek: 120 pagina’s. Dat zou cijfermatig gezien moeten betekenen dat ook deze aflevering van mijn samenvattende bespreking van ZKM omvangrijk moet worden. Maar ik heb besloten om die samenvatting beperkt te houden. Een uitgebreide samenvatting zou – denk ik - bestaan uit vele en ook lange citaten. Bijna net zo vervelend als dat vermaledijde deel 3 zelf. Waarschijnlijk zelfs saaier als je niet onbezwaard bent.
We hebben gezien dat Pirsig aan het einde van deel 2 een nieuw begrip inbrengt in de discussie: Kwaliteit. Een nogal mistig begrip – zeker anno 2010 waarin dat woord te pas en te onpas wordt gebruikt. Ik denk dat je deel 3 het beste begrijpt als je bedenkt dat Pirsig consequent weigert om een definitie te geven van Kwaliteit. Dat lijkt nogal vreemd: hij betoonde zich immers in de eerste twee delen van ZKM een aanhanger van de klassieke (wetenschappelijke, analytische) methode: een motor is niet in de eerste plaats een glinsterend ding waarop je lekker kunt rijden maar veeleer een “systeem” van “componenten” en “functies”. De onderdelen van dat systeem moet je goed van elkaar onderscheiden opdat je uiteindelijk de “onderliggende vorm” van een motor kunt zien. Dan zie je een ander soort schoonheid die je bijvoorbeeld van nut kan zijn bij het verhelpen van mankementen. Scherpe definities zijn nodig om al die componenten en functies te onderscheiden en uiteindelijk het systeem te zien.
Eerst vertelt hij hoe Phaedrus afstand neemt van de “formele methode” van lesgeven in de Engelse schrijfkunst in zijn colleges. Hij laat studenten elkaars werkstukken beoordelen en schaft het cijfer-beoordelingssysteem af. Dat gaat niet zonder slag of stoot maar gaandeweg gaan de meeste studenten wel gevoel krijgen en ontwikkelen voor de inhoudelijke kwaliteit van werkstukken. Die worden tot méér dan alleen maar imitaties van wat de leermeester of de leerboeken voorschrijven. “De ware opzet van het achterhouden van cijfers was de studenten te dwingen een kijkje in zichzelf te nemen, de enige plek waar ze ooit een goed antwoord zouden krijgen”.
Vervolgens onderzocht Phaedrus de vraag naar Kwaliteit met gebruikmaking van de zogenaamde realistische methode: stel je voor een werkelijkheid waarin Kwaliteit geen enkele rol speelt. In een dergelijke wereld is kunst afwezig en doen we ook niet meer aan sport. Kwaliteit van smaak zou er ook niet meer toedoen; supermarkten zouden alleen maar basisvoedsel leveren. Zuivere natuurwetenschap, mathematica, filosofie etc. zouden daarentegen nog wel bestaan. De werkelijkheid zou een zuiver rationele zijn: het oude Sparta, communistisch Rusland, 1984 van George Orwell. Dorheid. Het is denkbaar maar….. Op deze manier ontdekte Phaedrus dat we ook zonder definitie van Kwaliteit kunnen weten dat Kwaliteit er wel degelijk is.
Phaedrus wordt uitgedaagd door de Staf van het instituut waar hij aan verbonden was om zich nader te verklaren: “Bestaat die ongedefinieerde Kwaliteit van jou in de dingen die we waarnemen? Of is het puur subjectief en bestaat het alleen in de waarnemer zelf?” Phaedrus werd dus uitgedaagd om te kiezen tussen de objectieve, meetbare, benadering van Kwaliteit en de subjectieve. Hij werd gesteld voor een dilemma. Hij besluit ook dat dilemma uit de weg te gaan in een lang denkproces.
Dit denkproces voert hem tot de volgende conclusie:
Mensen verschillen niet inzake Kwaliteit omdat Kwaliteit verschilt, maar omdat mensen wat betreft persoonlijke ervaring verschillen. Wat ik aanduid met het woord kwaliteit kan niet uiteenvallen in subjecten en predicaten. Niet omdat Kwaliteit zo mysterieus is, maar juist omdat Kwaliteit zo eenvoudig, onmiddellijk en direct is. In onze uiterst ingewikkelde georganiseerde samenleving reageren wij met vele schitterend uitgedachte analogieën. We bedenken aarde en hemel, bomen, stenen en oceanen, goden, muziek, kunst, taal, filosofie, techniek, beschaving en wetenschap. Deze analogieën noemen wij werkelijkheid. En ze zijn werkelijkheid. Maar wat ons aanzet tot het uitdenken van deze analogieën is Kwaliteit. Kwaliteit is de aanhoudende prikkel die onze omgeving ons opdringt om de wereld te scheppen waar we in leven.
Als Phaedrus dat heeft ontdekt pakt hij de Tao Te Ching van Lao-tse erbij en leest hij onder meer:
De Kwaliteit die genoemd kan worden is niet de Absolute Kwaliteit
De namen die gegeven kunnen worden zijn geen absolute namen.
Kwaliteit is de oorsprong van hemel en aarde.
Phaedrus vindt bevestiging voor zijn denken bij Poincaré. Poincaré is een eminente wetenschapper en wiskundige geweest aan het einde van de 19e/begin 20e eeuw. De meesten van ons zullen hem kennen als iemand die verteld heeft dat hij zijn grootste ontdekkingen niet deed in de studeerkamer maar op onverwachte momenten: een keer op de treeplank van een autobus toen hij op een excursie was. Poincaré heeft het “subliminale zelf” ontdekt. Dat subliminale zelf beschouwt een groot aantal oplossingen voor een probleem, maar alleen de interessante dringen door tot zijn bewustzijn. Wiskundige oplossingen worden door dat subliminale zelf uitgeselecteerd op grond van hun mathematisch schoonheid, de harmonie van getallen en vormen, de geometrische elegantie. “Dit is een zuiver esthetisch gevoel dat iedere wiskundige kent, Maar dat onder leken zo weinig bekend is dat ze vaak in de verleiding komen er om te lachen”. Maar deze harmonie, deze schoonheid bevindt zich in het hart van alle dingen.
De rest van Deel 3 besteedt Pirsig aan de vraag hoe je Kwaliteit kunt bereiken. Hij begint met vast te stellen dat een klassieke (wetenschappelijk;analytisch) instelling niet moet worden opgesmukt met romantische aantrekkelijkheid: klassiek en romantisch begrip dienen op basisniveau verenigd te worden. Pirsig keert weer terug naar de kalme gemoedsrust waarover hij had gesproken bij de De Weeses:
Om te bereiken dat je ziet wat goed is en ook begrijpt waarom het goed is en dat je één wordt met dit goede naarmate het werk vordert, moet je zorgen voor innerlijke rust, een onbezwaard gemoed, opdat het goede je kan bereiken.
Deze innerlijke gemoedsrust doet zich voor op drie begripsniveau’s. Fysieke rust schijnt het gemakkelijkst te bereiken. Mentale rust waarbij de gedachten helemaal niet meer afdwalen, schijnt minder gemakkelijk te verwezenlijken, maar het kan worden bereikt. Maar waardenrust, waarbij men helemaal geen afleidende verlangens meer heeft en alleen eenvoudig zonder wensen leeft, schijnt het moeilijkste.
En dan begint Pirsig aan de ontwikkeling van een volkomen nieuw academisch gebied: arbeidsvreugdeleer: Arbeidsvreugdeleer 01: een reeks werkcolleges over de affectieve, cognitieve en psychomotorische blokkeringen in de perceptie van Kwaliteitrelaties – blokuur, Hoofdgebouw, kamer 14. MWF. Volgen circa 20 pagina’s zeer boeiend collegeaantekeningen.Einde deel 3 van ZKM.
|
Pirsig, Motoronderhoud en Kunst
In deel 2 van ZKM komt Phaedrus steeds dichterbij. We weten inmiddels dat Phaedrus het alter ego van Pirsig is dat jammerlijk zou zijn omgekomen bij een behandeling met elektroshocks. Ik schat - op basis van enkele passages in het boek - dat dat een jaar of vijf moet zijn geweest voordat Pirsig zijn boek laat aanvangen.
“Zou zijn omgekomen” schreef ik want gaandeweg de reis die Pirsig maakt met zijn zoon en vrienden, komen steeds meer flarden van Phaedrus terug in de herinnering van Pirsig. De reisgenoten zijn op hun reis inmiddels aangeland in de buurt waar Phaedrus een tijdlang heeft gewerkt en gewoond. Die omgeving haalt herinneringen boven bij Pirsig die langzamerhand een steeds vollediger beeld opleveren van wie Phaedrus is geweest. Of: ……..is?
Het tweede deel (althans het filosofisch gedeelte daarvan) vangt aan met een uiteenzetting over de wetenschappelijke methode van dingen onderzoeken. Aan de hand van een concreet probleem met zijn motor (“de elektriciteit doet het niet”) laat Pirsig zien dat je dan een aantal stappen moet doorlopen opdat je uiteindelijk bij de oorzaak terecht komt en vervolgens trefzeker kunt repareren:
· Constatering van het probleem
· Hypothesen omtrent de oorzaken
· Experimenten om iedere hypothese te toetsen
· Verwachte resultaten van elk experiment
· Waargenomen resultaten van elk experiment
· Conclusies trekken
Dit zal allemaal bekend voorkomen: we doen allemaal wel dat soort werk in ons dagelijks leven, meestal intuïtief. Maar Pirsig laat zien dat grote problemen kunnen ontstaan als je die stappen niet in de juiste volgorde zet of als je onderdelen van dat werk nonchalant verricht. Je mag het best allemaal intuïtief doen mits je daarbij ook waakzaam bent.
Romantici zien in de ogen van Pirsig meestal het experimenteren als de kern van wetenschappelijk werken:
zij zien dan massa’s reageerbuisjes en waanzinnige apparatuur en mensen die heel druk bezig zijn uitvindingen te doen. Maar een man die een hocuspocus wetenschappelijk spektakel uitvoert met voor wel vijftigduizend dollar aan apparatuur, doet beslist niets wetenschappelijks wanneer hij op voorhand al weet wat het resultaat van zijn inspanningen zal zijn.
Pirsig laat zien - onder meer met aanroepen van Einstein - dat de eigenlijke kern van het wetenschappelijke werk bestaat in …..het verzinnen van hypotheses. Dat is ook gelijk het meest geheimzinnige deel van de wetenschappelijke methode. Daar is intuïtie voor nodig. Gevoel. Creativiteit. Eén van de problemen van Phaedrus was geweest dat hij overliep van juist die creativiteit waardoor hij een op jonge leeftijd aangevangen studie moleculaire biologie moest afbreken: hij trad met het verzinnen van allerlei hypotheses voor problemen buiten de gebaande wegen van de wetenschap. Phaedrus signaleerde een botsing tussen het creatieve aspect van wetenschap en wat de gezeten wetenschap aan creativiteit toestaat.
Na een verblijf in Korea gaat Phaedrus filosofie studeren. Voor Phaedrus een binnengaan in een wereld die als het ware boven de natuurwetenschap staat en waarin hij vragen tegen komt waar hij al veel langer mee bezig was. In ZKM doet Pirsig verslag van die nieuwe ontdekkingstocht die Phaedrus onder meer voert naar Kant en de door Kant ontdekte “a-priori-kennis”.
Het begrip a-priori-kennis had Kant ontdekt toen hij Hume onderzocht. Hume had gezegd dat alle kennis voorkomt uit ervaring. Buiten ervaring is geen kennis mogelijk. Het antwoord van Kant daarop:
“Hoewel alle kennis begint met ervaring, volgt daaruit nog niet dat deze ook voortkomt uit ervaring. Er zijn aspecten aan kennis die niet voortvloeien uit zintuiglijke ervaring. Voorbeeld: de ervaring van tijd. Tijd zie je niet, je proeft, ruikt of voelt het niet. Tijd vloeit voort uit “een intuïtie”. Hetzelfde geldt voor Ruimte. “Tijd” en “Ruimte” zijn vormen van a-priori-kennis.”
Die filosofie-studieperiode bevat ook een ruime periode in India waar Phaedrus zich verdiept in Oosterse filosofie. Pirsig is in ZKM opmerkelijk kort over die periode: Phaedrus kwam als een empirisch natuurwetenschappelijk student en hij vertrok als empirisch natuurwetenschappelijk mens: geen enkel occult geheim ontdekt.
Maar wel iets anders: Phaedrus komt in aanraking met de Sanskrietdoctrine Tat twam asi . Dat wil zoveel zeggen als: alles wat je denkt dat je bent en alles wat je denkt dat je waarneemt zijn onscheidbaar. Phaedrus slaat die wijsheid op maar blijft vasthouden aan zijn empirisch natuurwetenschappelijke manier van denken en kijken. Pirsig vindt dat laatste overigens pleiten voor Phaedrus.
Pirsig komt met zoon en vrienden aan bij het echtpaar De Weese dichtbij Bozeman - de stad waar Phaedrus werk had gevonden na zijn studies. De De Weeses zijn een kunstenaars-echtpaar die Phaedrus hebben gekend. Ze zien na enkele jaren dezelfde “buitenkant” van Phaedrus weer voor zich maar voelen toch ook wel aan dat er iets ingrijpends met die man moet zijn gebeurd.
De Sutherlands hebben - zoals we hebben gezien – een instinctieve anti-houding tegenover techniek en technologie. Bij de De Weeses ligt het een slagje anders: ze zijn er op een bepaalde manier wel in geïnteresseerd maar lopen toch ook tegen bepaalde muren op. De Weese laat blijken dat hij wanhopig is geworden van een bouw-instructie voor een barbecueset. Pirsig bekijkt die ook en kan het wel met De Weese eens zijn: het geval is opgezet en geschreven in die onmogelijke taal die we wel kennen van gebruiksaanwijzingen.
Hij (De Weese) is niet in staat iets te begrijpen wanneer het hem wordt voorgeschoteld in de lelijke, kortaf gestelde, groteske schrijfstijl die eigen is aan mechanische constructeurs en technische geschriften. De natuurwetenschappen werken met brokstukken, onderdelen en dingen, terwijl er wordt aangenomen dat er continuïteit bestaat; De Weese daarentegen werkt alleen met de continuïteit van dingen, terwijl hij aanneemt dat de onderdelen, stukjes en beetjes er wel zullen zijn. Hij wil eigenlijk dat ik een vernietigend oordeel uitspreek over de afwezigheid van artistieke continuïteit, iets waar het hoofd van de constructeur absoluut niet naar staat. Het valt dus weer terug te voeren tot de scheiding tussen klassiek en romantisch. Zoals alles wat met techniek te maken heeft.
Het gesprek over de bouwinstructie hebben de De Weeses nieuwsgierig gemaakt. Pirsig licht nader toe dat
het monteren van een Japanse motorfiets onbezwaard gemoed vraagt. Het materiële object dat we onder hebben, de motorfiets of de barbecue, kan niet goed of slecht zijn. Moleculen zijn moleculen. Ze hoeven zich niet te houden aan ethische normen, behalve die de mens aan ze oplegt. De test van de machine ligt in de bevrediging die je eruit put. Een andere test bestaat niet. Wanneer hij je stoort is hij slecht, tenzij ofwel de machine ofwel jouw gedachten veranderen. De test van de machine ligt altijd in jouw geest.
Jouw bezorgdheid over die barbecue is precies hetzelfde. Je hebt niet beantwoord aan het eerste vereiste, namelijk een onbezwaard gemoed, omdat je het idee kreeg dat deze gebruiksaanwijzing veel te ingewikkeld was en je hem misschien verkeerd zou begrijpen.
Het gesprek over het onbezwaard gemoed gaat komt op een gegeven moment op de manier waarop een echte vakman werkt. Pirsig zegt dan:
De vakman werkt nooit volgens gebruiksaanwijzingen. Hij neemt beslissingen terwijl hij aan het werk is. Daarom zal hij geconcentreerd zijn en in beslag genomen door wat hij doet, ook al zal hij daar geen moeite voor doen. Zijn bewegingen en het werkstuk dat hij onder handen heeft vormen een soort harmonie. Hij volgt geen geschreven aanwijzingen, omdat de aard van het werkstuk voortdurend verandert. Het werkstuk en zijn gedachten veranderen samen in een voortgaande reeks van veranderingen, tot zijn geest tot rust komt op hetzelfde moment waarop het werkstuk gereed is.
Het is kunst. De scheiding tussen kunst en techniek is volkomen onnatuurlijk. Je moet een soort archeoloog zijn wil je er achterkomen waar die twee uit elkaar zijn gegaan.
Het gesprek gaat verder over wat Pirsig noemt de ontoereikendheid van bestaande denkmethoden in de loop der tijden. Hij geeft daarin enkele voorbeelden hoe denkmethoden op verschillende momenten in de loop van de eeuwen ingrijpend zijn veranderd.
Enkele dagen later brengt Pirsig een bezoek aan de universiteit waaraan hij indertijd verbonden is geweest. Hij komt in ruimten waar Phaedrus heeft gewerkt en weer komen herinneringen op . Hij herinnert zich Sarah die hem enkele malen bezwoor de studenten Kwaliteit bij te brengen.
Phaedrus leeropdracht hield in dat hij studenten rhetoriek moest doceren (zeg maar: schrijfkunst). En dat met gebruikmaking van leermateriaal waarin rhetoriek rationeel werd neergezet:
een recht-door-zee, feitelijke, objectieve, methodische benadering: juiste spelling, juiste leestekens, juiste grammatica. Honderden pietepeuterige regeltjes voor pietepeuterige mensjes. Het waren allemaal tafelmanieren, niet ontstaan vanuit enig gevoel van vriendelijkheid, fatsoen of menselijkheid, maar voortspruitend vanuit het zelfzuchtige verlangen zich voor te doen als dames en heren. Dames en heren hadden goede tafelmanieren en schreven grammaticaal correct; dat bracht iemand op gelijke voet met de hogere kringen.
Maar Kwaliteit? Wat is dat?
Einde van deel 2 van ZKM. We zijn aangeland bij pagina 165. De lezer mag nu even raden waar deel 3 over zal gaan.
|
Op naar de ZKM-filosofie .
In de twee eerdere delen van deze beschouwing over Robert Pirsigs Zen en de Kunst van het Motoronderhoud (nog steeds gebruik ik als afkorting: ZKM) heb ik ZKM geïntroduceerd en vervolgens enkele verhaallijnen daarin weergegeven. In dit derde deel verdiep ik mij in de filosofie die Pirsig in ZKM ontwikkelt.
Ik schat dat ruwweg 2/3 tot 3/4 van ZKH gewijd is aan die filosofie; dat maakt ZKM voor veel mensen nogal ondoorgrondelijk: die reisverhalen zijn reuze aardig om te lezen maar dat geouwehoer…….
Vanwege de omvang van dat geouwehoer vermoed ik dat dit derde deel enkele sub-delen zal bevatten: 3-A, 3-B en 3-C. Als het er niet meer zullen worden……. ZKM bevat zelf drie delen die - heel eenvoudig - zijn genummerd 1, 2 en 3 zonder enige verdere titel. Het zou zo maar kunnen dat mijn indeling 3-A, 3-B EN 3-C daarmee gelijk op zal lopen…….Of uit de hand.
In Deel 1 van ZKM stelt Pirsig al snel vast dat zijn goede vriend John en hijzelf in ieder geval op één punt verschillen: John heeft een anti-houding tegenover motortechniek terwijl hijzelf daarin juist erg geïnteresseerd is geraakt – overigens wel door schade en schande. Op zich is dat verschil in interesse ten opzichte van de gehele vriendschap een gering verschil – Pirsig zegt dat ook ergens - maar Pirsig vermoedt dat de oerreden ervan heel erg diep ligt. Hij gaat op zoek naar die oerreden.
Hij begint met vast te stellen dat die niet ligt in een soort domheid bij John (en zijn vrouw): zijn vrienden zijn intelligente mensen. Op een gegeven moment komt hij er bij toeval achter dat die antihouding bij de Sutherlands niet alleen motoronderhoud betreft maar ook het repareren van een lekkende kraan. En valt hem vervolgens op dat zij spreken over technische zaken als: “De hele bliksemse boel”. Of als: “Het….” Of als: “Alles……”.
De Sutherlands zijn anti-technologie. En staan daarin beslist niet alleen.
En dan komt die (voor mij) centrale uitspraak in ZKM:
Ik denk dat zij met hun vlucht voor en haat tegen techniek zichzelf een rad voor ogen draaien. De Boeddha, of God de Vader zetelt met evenveel gemak in het circuit van een digitale computer of de tandraderen in de versnellingsbak van een motor als op de top van een berg of in de blaadjes van een bloem. Als je er anders over denkt is dat een belediging van de Boeddha – wat neerkomt op het beledigen van jezelf.
Zoon Chris geeft hem een clue op weg naar die oerreden als hij vertelt dat een Indianen-vriendje van hem gelooft in spoken. Dat is voor Pirsig aanleiding om te betogen dat niet alleen Indianen geloven in spoken maar moderne mensen, Middeleeuwers en zo evenzeer:
IQ’s verschillen niet zozeer. Indianen en Middeleeuwers waren precies zo intelligent als wij, maar het kader waarin zij dachten verschilde volkomen. Binnen dat denkkader zijn spoken en geesten even werkelijk als atomen, deeltjes, fotonen en quanten. De moderne mens heeft ook zijn spoken en geesten.
En wij - moderne mensen - geloven dat die laatste spoken werkelijkheid en waarheid zijn omdat we via onderwijs en zo daartoe geïndoctrineerd zijn.
We komen vervolgens bij een aardige passage die de meeste lezers waarschijnlijk wel zullen herkennen. Die handelt wederom over de motor van Pirsig die er alweer een hoop kilometers op heeft zitten. Je krijgt als bezitter en berijder een bepaald gevoel voor die motor. Een (andere) vriend van hem bezat eenzelfde motor (merk, type, jaartal en kilometrage) en vroeg hem die motor te repareren. Toen Pirsig die “tweelingbroer” na de reparatie zelf beproefde, bemerkte hij dat het een geheel andere motor was dan de zijne. Niet minder, maar anders. Pirsig vindt dat het unieke karakter van een motor: de intuïtieve som van alles wat je van hem weet en voor hem voelt.
Terug weer naar Pirsig en zijn vriend John. John’s motor vertoont een mankement en Pirsig besluit hem te helpen bij het oplossen ervan (let wel: te helpen want hij wil John het werk laten doen opdat hij wat gevoel voor motor en techniek krijgt). Er volgt een dol-komische passage die ik hier niet verklap –slechts verklap ik dat hij staat op blz 51 en 52 van ZKM 13e druk. En verklap ik ook nog dat een oud bierblikje daarin een centrale rol vervult omdat die reparatiemateriaal blijkt te kunnen zijn voor de peperdure motor van John - iets dat John weigert te aanvaarden. Dit brengt Pirsig tot de vaststelling dat hij en John totaal verschillend kijken naar zoiets als een bierblikje:
Ik had dat plaatje beschouwd met een soort intellectuele, rationele, cerebrale blik, waardoor de wetenschappelijke eigenschappen van het metaal het enige was wat telde. John benaderde het direct en intuïtief en probeerde er dolle pret aan te beleven. Ik benaderde het vanuit de onderliggende vorm. Hij benaderde het vanuit de directe verschijning. Ik zag wat het plaatje betekende. Hij zag wat het plaatje was. En als je, in dit geval, ziet wat het plaatje is, is dat teleurstellend. Wie ziet nu graag een schitterend precisie-apparaat opgelapt worden met een stuk oud afval?
Waar we hier mee te maken hebben is (in de woorden van Pirsig) een conflict tussen manieren om de werkelijkheid te beschouwen. Wat je hier in feite ziet zijn twee werkelijkheden, eén met een directe artistieke verschijningsvorm en eén met een onderliggende wetenschappelijke verklaring. Die twee manieren hebben nauwelijks iets met elkaar uitstaande. Pirsig noemt die twee kijkmanieren verder de romantische en de klassieke manier van kijken.
Pirsig gaat die twee manieren van kijken verder beschrijven en onderzoeken op hun eigen diverse inhoud/aspecten. En stelt dan vervolgens vast:
Dat is de bron van de moeilijkheden. Mensen denken en voelen al te gemakkelijk uitsluitend in een manier van beschouwen en op zo´n manier dreigen ze verkeerd te begrijpen en te onderschatten waar de andere manier van beschouwen eigenlijk om draait. Maar niemand is bereid om de waarheid zoals hij die ziet, op te geven. Er bestaat geen enkel punt waarop deze manieren verenigd kunnen worden.
Volgt een lesje klassiek/analytisch kijken naar een motorfiets. Voor een echte romanticus een dodelijk saaie systematische opsomming van onderdelen en groepen daarvan en van `functies` van die groepen.` Saai als slootwater`.
Maar wel een manier waarmee we dagelijks worden geconfronteerd / of je nou romantisch kijkt of klassiek. Denk maar aan de `beslisbomen` die je gebruikt om je belastingbiljet in te vullen. Of die je zou kunnen gebruiken om te stemmen bij verkiezingen: de Stemwijzer (ik schrijf dit twee dagen voor de Gemeenteraadsverkiezingen 2010).
Pirsig gaat verder. Hij stelt vast dat:
we allemaal de werkelijkheid constant opsplitsen in onderdelen. Constant worden we miljoenen dingen gewaar in onze omgeving. Maar die kunnen we onmogelijk bewust waarnemen en allemaal onthouden. We nemen een handvol zand uit het eindeloze landschap van gewaarwordingen en noemen dat handje zand: de wereld. En vervolgens verdelen we dat handje met zand in hoopjes. Dit en dat. Hier en daar. Zwart en wit. Nu en toen.
Klassiek begrip houdt zich bezig met het opdelen in al die kleine hoopjes. Romantisch begrip met de hele hand met zand.
Pirsig meent dat het dringend nodig is om
naar de werkelijkheid te kijken op een manier die geen van beide begripsvormen tekort doet en ze in zich verenigt. Die noch het schiften van het zand afwijst, noch het kijken naar de hele hand met zand. We moeten de aandacht weer richten op het totale landschap waaruit het zand werd verwijderd. Er is een deel van het landschap, een onscheidbaar deel en dat moet goed begrepen worden, dat een gestalte is die zich er middenin bevindt. Het landschap zien zonder deze gestalte waar te nemen staat gelijk aan het landschap helemaal niet zien . Dat deel van de Boeddha afwijzen dat zich wijdt aan het analyseren van motorfietsen is voorbijgaan aan de hele Boeddha.
En Pirsig merkt dan op:
Over de Boeddha die onafhankelijk van elk analytisch denken bestaat is veel beweerd - te veel zouden sommigen misschien wel zeggen. Maar over de Boeddha die bestaat in het analytisch denken, die dat analytisch denken richting geeft, is goedbeschouwd nog nooit iets gezegd.
Het filosofiedeel van Deel 1 van ZKM eindigt dan met:
Mark Twains ervaring schiet mij te binnen waarin hij, nadat hij de analytische kennis onder de knie had die vereist was om als loods de Mississippi te bevaren, tot de ontdekking kwam dat de rivier zijn schoonheid had verloren. Iets sterft er altijd. Maar wat minder bekend is in de kunst, er wordt ook altijd weer iets nieuws geschapen. En in plaats van stil te staan bij wat er is doodgegaan is het ook belangrijk om in te zien wat er gecreëerd werd. En dit proces te zien als een soort eeuwige voortgang van geboorte en dood, die noch goed, noch slecht is. Die er alleen maar is.
Einde deel 1 van ZKM/ onderdeel ZKM/filosofie. En van deze weergave ervan.
( Ik denk niet dat ik het red met nog slechts twee delen weergave: we zijn pas bij blz 86 van ZKM……)
|
ZKM (zoals gezegd de afkorting voor Zen en de Kunst van het Motoronderhoud) gisterenavond uitgelezen. Ongeveer 380 pagina’s gedurende de afgelopen maand. Het was - zoals ook de eerdere keren dat ik het heb gelezen – wederom geen eenvoudige kost. Lezen in kleine etappes. Geregeld weer eens stukjes opnieuw lezen wanneer ik het spoor bijster dreigde te raken.
ZKM kent een aantal verhaallijnen. In dit deel van mijn weergave van het boek wil ik de “fysieke reizen” behandelen die Pirsig in zijn boek maakt. In een volgend deel zijn filosofische tocht.
Er zijn drie of vier van die fysieke reizen te onderkennen. De eerste is een vakantie-motortocht die Pirsig samen met zijn zoon en twee bevriende kennissen (John en Sylvia Sutherland) maakt. In deze verhaallijn zitten wonderschone beschrijvingen van landschappen waar zij door heen rijden, stadjes en dorpjes, plaatsen waar ze overnachten. Pirsig is in staat om in korte bewoordingen gedetailleerde beelden op te roepen bij de lezer. Je weet daardoor al dat je met ZKM iets bijzonders in handen hebt.
De tweede lijn wordt gevormd door diverse discussies die Pirsig voert met zijn reisgenoten en enkele oude vrienden waar zij langs gaan: het kunstenaarsechtpaar de Weese. Hierin komt al iets van zijn filosofie naar voren. De Sutherlands zijn motorliefhebbers omdat zij van motorrijden houden: de motor is een jofel apparaat als je van reizen in de vrije natuur houdt. Maar hoe een motor in elkaar zit en hoe je die onderweg moet vertroetelen is een ver-van-hun-bed-show: John is in staat om te proberen een warme motor in de bloedhitte te starten met de choke helemaal open…... De werking van een motor interesseert de Sutherlands niet; dat is “square” – staat buiten hun belevingswereld. Pirsig laat duidelijk blijken een dergelijke houding maar vreemd te vinden: een motor is niet alleen een jofel reis-instrument maar heeft ook zijn eigen innerlijke schoonheid: een fijnzinnig geheel van componenten en van functies. Een “structuur”. Een patroon. Wederom fraaie beschrijvingen hoe hij zich tijdens de tocht bezig houdt met het onderhouden van zijn motor: dat kan hij trefzeker doordat hij de die structuur kent en doorziet.
De derde verhaallijn is die van de zoon Chris. Chris is in het boek elf jaar oud en maakt de reis mee achter op de motor tegen de rug van zijn vader aan. In de loop van het verhaal wordt duidelijk dat Chris dat allemaal maar niks vindt. En bovendien zijn vader nogal mist - zo achter diens rug gezeten. Pirsig schrijft dat hij vreest dat zijn zoon krankzinnig aan het worden is. Hmmmmmm……Toen ik dat las, dacht ik: je zult maar als elf-jarige een aantal weken achter de rug van je vader op een motor moeten zitten; dan laat je wel blijken dat je je leukere vakanties kunt voorstellen. Maar om dat nu opkomende krankzinnigheid te noemen……
De vierde lijn is Pirsig zelf. Of liever gezegd: een voormalige Pirsig die de verteller Pirsig tijdens de motortocht bezig is in te halen. Die voormalige Pirsig heet in het boek: Phaedrus. Phaedrus Pirsig is een hoogbegaafd mens die al vroeg gaat studeren maar waarschijnlijk te intelligent is voor studies aan Amerikaanse studenten. Hij breekt een studie af en gaat naar Korea waar hij in aanraking komt met Oosterse filosofie. Uiteindelijk wordt Phaedrus docent Retorica en Engelse schrijfkunst aan een universiteit.
Phaedrus was een filosofische zoektocht begonnen maar die zou hem uiteindelijk naar krankzinnigheid drijven. Althans: hij werd krankzinnig verklaard. Hij kreeg elektroshocks om zijn persoonlijkheid te vernietigen. Die vernietigde Phaedrus komt tijdens de motortocht Pirsig achterop als een soort spook of geest en neemt gaandeweg weer bezit van zijn vroegere “huls”. Het boek eindigt op het moment dat Phaedrus en Pirsig lijken te gaan samenvallen.
ZKM is na de eerste publicatie als het ware doorgegaan. In latere drukken komt een nawoord voor van Robert Pirsig waarin hij vertelt dat zijn zoon Chris vlak voor zijn 23e verjaardag is vermoord door twee overvallers. Chris was bezig met een studie aan het Zen Center in San Francisco begonnen. Pirsig vertelt in dat nawoord hoe hij het verlies van zijn zoon te boven is gekomen:
‘Het denken in cirkels hield tenslotte op toen ik besefte dat je, voor je de vraag stelde “Waarheen is hij gegaan?”, eerst moet vragen: “Wat is de “hij” die is heengegaan?”. Het is een oude cultuurbepaalde gewoonte om een mens te beschouwen als iets dat hoofdzakelijk stoffelijk is, als iets van vlees en bloed. Zolang dat idee bleef bestaan was er geen oplossing mogelijk. De verbrandingsresten van Chris’ vlees en bloed waren natuurlijk echt door de schoorsteen van het crematorium gegaan. Maar dat was Chris niet.
Ik moest beseffen dat de Chris die ik zo miste geen voorwerp was maar een patroon en dat, hoewel het patroon ook het vlees en bloed van Chris omvatte, dit toch niet alles was. Het patroon was ruimer dan Chris en mijzelf en het verbond ons op een wijze die geen van beiden volledig begreep en die geen van beiden volkomen in de hand had.’ .
|
Tussen alle gouden medailles door die “we” in Vancouver winnen, valt er ook een kabinet. Nou is dat het zoveelste gevallen kabinet Balkenende (en aan vallende kabinetten B. zijn we inmiddels wel een beetje gewend geraakt) maar toch is ook dat een evenement(je). Maar of we daar nou een gouden medaille voor moeten uitreiken?
Erg fraai is het allemaal niet geweest met Balkenende IV. Een verstandshuwelijk is misschien nog de meest positieve kwalificatie. Maar daar is het dan ook wel zo’n beetje mee gezegd. Op grote schaal werden beslissingen in de tijd vooruit geschoven: aanpak “prachtwijken”, het AOW-vraagstuk, wat te doen na de crisis?, aanschaf JSF, onderzoek Irak. En zelfs “Uruzgan”: we dachten dat er een slot op de deur zat maar daar dacht slotenmaker Verhagen anders over: dat slot zit er niet voor niets…..
Maar ja: als iedereen door elkaar zit te twitteren en zijn/haar eigen mening voor de enig juiste houdt, wordt het ook wel bar lastig om tijd te vinden om te regeren. We definiëren regeren nu eventjes als: de indruk wekken dat we verder vooruit kijken dan stel 6 maanden. Maar als je zo ongeveer de helft van je minister-werktijd in de Kamer moet zitten om weer een oppositiepartij van repliek te dienen als die weer eens via Twitter ergens een wind in een broek heeft gehoord of geroken, tja: dan wordt het bar lastig om verder te kijken dan de neus.
Mijn stelling is dan ook: Nederland wordt weer een volwassen democratie als we het verschijnsel “twitteren” onder de knie hebben.
Dat laatste zal waarschijnlijk nog een tijd duren. Nog maar 100 (zegge: honderd) jaar geleden werd vertegenwoordigende democratie uitgevonden na ongeveer 15.000 jaar homo-sapienstijd (het kan ook meer zijn).
Jeetje: moeilijke woorden; kan dat niet in twittertaal???
Twitterpoging:
Twitter 1: Demo = dat je eens in de 4 jaar mag stemmen
Twitter 2: Of vaker in Balkenende-tijd
Twitter 3: Vroeger sloegen we elkaar gewoon de hersens in L
Twitter 4: .Dus hield je je kop LL
Twitter 5: Nu niet meer dankzij Twitter.
Twitter 6: Maar dat schiet ook niet echt op.
Twitter 7: Laten we maar gewoon gaan stemmen.
Twitter 8: Maar ik weet niet wat L.
Twitter 10: + beetje mazzel = is 3 maart Jweer
Twitter 11: 03032010 J uitstapje naar het stembureau!
Twitter 12: = 100 jaar democratie gered! J
Twitter 13: + neut = JJJJ
Vroeger zei ik tegen mijn kinderen:
1. Democratie met verkiezingen bestaat nog slechts 100 jaar;
2. En alleen maar op een klein stukje wereldbol.
en schopte ik ze naar het stemlokaal. Dat waren eenvoudige tijden.
Nu kan ik het twitteren! Nu maar hopen dat mijn kinderen geen 15.000 jaar nodig hebben om Twitter onder de knie te krijgen!
|
Enkele weken geleden heb ik vanaf deze plaats jullie allemaal opgeroepen om mee te doen aan de demonstratie ‘Ik Wil Mijn Plastic Kwijt!’ op de Coolsingel. De respons was boven verwachting.
Maar ik moet nu toch even halt op de plaats maken. Ik moet de demonstratie opschorten. Want wat is het geval?
Ik, onwetende ziel, dacht dat ik een punt had. Maar ik ben tot de conclusie gekomen dat dit misschien niet helemaal het geval is. Het blijkt namelijk dat er twee systemen zijn van plastic inzamelen opdat dat spul verantwoord kan worden verwerkt.
Het eerste systeem heet: voorscheiding. Dat houdt in dat elke burger op gezette tijden een aparte vuilniszak met daarin alleen plastic aan de straat zet en dat die zakken apart worden opgehaald.
Maar nu blijkt er ook een systeem van nascheiding te zijn. De afvalophalers vissen uit al het opgehaalde afval het plastic waarmee nog verstandige dingen kunnen worden gedaan. Zoals uit 17 PET-flessen een fleece-trui maken volgens posters in de metro. Er zijn deskundigen die zeggen dat dat systeem van nascheiding waarschijnlijk beter is dan voorscheiding. Want veel burgers denken dat alle plastic apart houden goed zou zijn, maar.. dat schijnt toch niet waar te zijn.
Dus: we gaan nu even niet begin maart naar de Coolsingel met ons allen.
Maar het is wel nuttig om gedurende een week of twee gewoon eens plastic apart te houden van ander afval. Dan zul je versteld staan van de hoeveelheid plastic die je als eenvoudige burger bij elkaar krijgt. Gewoon gratis voor niets (nou ja: gratis…je betaalt er natuurlijk gewoon voor maar je weet het niet).
Enkele getalletjes die ik bijeen sprokkelde op Internet toen ik ons Manifest voor de demonstratie op de Coolsingel aan het maken was:
1. Kunststoffen worden in Nederland op grote schaal gebruikt, bijvoorbeeld in verpakkingsmaterialen, in de bouw, in auto's en in de landbouw. Jaarlijks levert dit gebruik 1,2 miljoen ton kunststofafval op.
Kijk nu eens eventjes naar de vuilniszak met daarin twee weken plastic afval…..Weeg hem eens op je keukenweegschaal. En bedenk dan dat we met ons allen 12.000.000.000 kilo van dat spul per jaar verbruiken…..
Naast de huidige recycling van kunststof verpakkingen uit bedrijven worden voortaan ook kunststof verpakkingen uit huishoudens gescheiden ingezameld en gerecycled. Het te behalen recyclingspercentage van kunststof verpakkingen zal dan stijgen van 20% nu naar 42% in 2012. Dit levert een jaarlijkse besparing op van ongeveer 210 kiloton CO2, vergelijkbaar met het elektriciteitsgebruik van 100.000 huishoudens.
100.000 huishoudens…A gemiddeld 2 personen per huishouden …= 200.000 mensen…..= 1/3 van de bevolking van Rotterdam……Ik bedoel maar….
En als we dat %-age van 42 in 2012 zouden kunnen opkrikken naar 80 dan zelfs 2/3 van de bevolking van Rotterdam. Of je een emmer leeggooit. Lust je nog peultjes?
2. Wat gebeurt er met ingezameld kunststof?
Het overgrote deel van het kunststofafval wordt verbrand met gedeeltelijke energieterugwinning. Een klein deel is brandstof voor elektriciteitscentrales en cementovens. Een andere verwerkingstechniek zet kunststofafval om in grondstoffen voor de petrochemische industrie. Buiten Nederland wordt deze methode al beperkt gebruikt, in Nederland nog niet. De derde en meest milieuvriendelijke manier om kunststof te verwerken, is de methode van mechanische recycling. Hierbij wordt het materiaal gezuiverd, gesmolten en opnieuw toegepast als grondstof voor kunststofproducten.
Afijn: we gaan dan nu geen keet trappen op de Coolsingel.
Maar we zijn allemaal wel weer een stukje wijzer geworden. Toch?
|
De afgelopen weken loop ik met een zekere regelmaat tegen Robert Pirsig en zijn boek Zen en de Kunst van het Motoronderhoud aan (hierna bij wijze van verkorting: ZKM). ZKM is een van de boeken die Pirsig heeft geschreven (ik denk zelfs het eerste).
Robert Pirsig en diens ZKM zijn een oude hobby van me. Ik vind zelf dat ze mij gevormd hebben. Rond 1975 kwam ik het ZKM van Pirsig tegen bij een goede vriend van mij. Ik ben er toen in begonnen. Niet om doorheen te komen…….Maar er was een enkele zin die mij toen al trof op d’een of d’andere manier. Ik citeer die zin:
“De Boeddha, of God de Vader zetelt met evenveel gemak in het circuit van een digitale computer of de tandraderen in de versnellingsbak van een motor als op de top van een berg of in de blaadjes van een bloem. “
Zo: dat was toen een doordenkertje. En is het nog steeds…
Later heb ik het zelf aangeschaft en kwam ik bij tweede lezing een heel eind. Ik las het uit maar had daarmee nog niet het gevoel dat ik het toen tot mijn “geestelijk eigendom” had gemaakt. Terwijl ik voelde dat dat wel zou moeten. Nadien heb ik het boek nog twee of drie keer gelezen.
Waar kwam die fascinatie in de jaren ’70 vandaan?
De jaren ’60 met de Stones, Jimi Hendrix, Jefferson Airplane, The Grateful Dead en Janis Joplin (Ball and Chain) waren definitief tot een eind gekomen. Er was een splitsing gekomen tussen de oorspronkelijke popmuziek en de opkomende populaire muziek van ABBA, Beegees en nog wat van die brrrrrrr-groepen . De eerste pophelden hadden zelfmoord gepleegd of waren gestorven onder omstandigheden die je je deden afvragen: “Tragisch omgekomen of…….?”
De film Easy Rider was uitgekomen (op Wikipedia las ik dat dat in 1969 was). Een film over eveneens vrijheid en dood. De film One flew over the Cuckoo's Nest kwam in roulatie (we spreken nu al 1975) . Een verpletterende film over eveneens vrijheid en dood.
Voor mij persoonlijk gold dat het vrije leven van de sixties over ging in het leven van loonslaaf, rijksambtenaar, zorgzaam huisvader en nog wat van die op zich respectabele dingen.
Die overgang van vrij en blij leven naar leven-in-verantwoordelijkheid: ik voelde die overgang eerlijk gezegd nauwelijks. Het vrije en blije leventje werd ingewisseld voor een redelijk comfortabel leven met eigen huis en tuin en een prettig vast salaris elke maand op mijn bakrekening. Niet zeuren dus.
Maar toch……
[wordt vervolgd]
|
.. ik kom misschien op de tillefisie!
Dat zit zo: ik ben bestuurslid van de Vereniging Vrienden van Arabesk. Dat is een club mensen die zich inzet om wetenschap en logica onder de – met name jonge – Rotterdammers te brengen. Hoe? Door ‘spellen, puzzels en andere objecten’ te demonstreren en iets te vertellen over hun werking. Waar? Op scholen, in bejaardentehuizen (want oude mensen zijn ook jong), culturele instellingen enzovoorts.
Die Vereniging bestaat nog maar net. Hugo Verbrugh (onvermoeibaar gangmaker, medicus, filosoof en columnist – ik weet nooit wat ik voorop moet zetten) is voorzitter van het spul. En ik ben secretaris. Tot nu toe zijn we ook de eerste twee leden. Mensen die het leuk vinden om kennis te verwerven over wetenschap en logica, plus dat willen doorgeven aan anderen zijn bij deze van harte uitgenodigd om lid te worden. Het lidmaatschap kost een puur symbolisch bedrag – namelijk wat je er voor over hebt (zullen we zeggen: 25 € ?). Dan krijg je een paar leuke en leerzame avonden per jaar waarin we die ‘spellen, puzzels en objecten’ laten zien en een boeiende spreker iets laten vertellen. En je mag dan meedoen met de jeugd van 8 tot 80 blij te maken met bijzondere dingen. Als daar een cursus spreken in het openbaar bij moet voor de wat weifelachtigen, dan fietsen we die als vereniging ook wel bij elkaar.
Maar nu dat van de tillefisie: eén of andere TV-club (ik kijk zelf al jaren geen TV dus ik ken het Nederlands TV-landschap niet meer om te weten welke club) maakt programma’s over ideële instellingen. Nou: ideëler dan wat ik net schreef kun je je toch bijna niet voorstellen. Dus onze Vereniging komt op TV. En Hugo heeft besloten dat ik voor de TV een verhaaltje moet vertellen. Zelf vind ik dat hij dat veel beter kan maar dat schijnt niet te kunnen want Zoon Verbrugh maakt het programma. En het Verbrugh-concern wil niet een concern lijken – dat kan ik vanuit ideëel oogpunt wel begrijpen. En bovendien ben ik voldoende ijdel om mijzelf ook wel eens te willen zien op de tillefisie.
Afijn: ik sta nu stijf van de stress natuurlijk. Hugo gaat mij coachen. Wat moet ik wel zeggen. En wat vooral niet. En vooral ook: hoe! Zelf denk ik dat ik kort voor de opname nog maar even langs een schoonheidspecialist ga (hoewel: van een ouwe aap als ik valt weinig meer te maken vrees ik).
Kijken dus – al was het maar om te zien hoe zo’n ouwe aap kan dansen. Ik heb alleen geen idee wanneer de voorstelling zal zijn. Zo gauw ik weet wanneer ik zal worden vertoond, zet ik het hier op de website.
PS: Hugo Verbrugh heeft mij bezworen dat ik op de tillefisie vooral niet mag zeggen dat onze club ook iets heeft met de winkel Arabesk op de Beneden-Oostzeedijk. Want dan krijgen we misschien juridische problemen. Dat zeg ik dus maar niet. Maar als je in die winkel gaat kijken zul je snappen wat ik ongeveer bedoel met ‘spellen puzzels en objecten’. Doen dus. Maar niet vertellen dat je dat van mij hebt.
PS2: wil je ook lid worden van de vereniging? Mail mij en ik zorg dat je wordt uitgenodigd voor de eerstkomende bijeenkomst.
|
Voor de verandering ben ik vanmorgen 2 februari (2010) eens vroeg opgestaan: 6.45 uur. Normaal doe ik – althans in de winter – pas tegen 8 uur een oog voorzichtig open. En eveneens voor de verandering voeren toen enkele diepzinnige gedachten in mij in vergelijking met de letterlijke huis-,tuin- en keukengedachten waarmee ik u tot nu toe heb verveeld. Vrijwel steeds komen gedachten als de navolgende pas ’s-avonds tot mij bij een glas wijn; op dit moment word ik gesecondeerd door een kop koffie en een yoghurtje.
Diepzinnige gedachte nummer 1:
Het lijkt er op dat we met ons allen op deez’ aardbol uit een economische crisis aan het kruipen zijn. De jaren 2008 en 2009 hebben een economische terugval te zien gegeven van een % of 5 in de meeste landen. In sommige landen waarschijnlijk nog veel meer. Maar ik houd het nu even dichtbij huis – Nederland dus - en dan denk ik dat ik met die % of 5 er niet ver naast zit.
Wat betekent dat nu? Groei-economen vinden dat verschrikkelijk: geen groei, geen toekomst. Mensen zoals ik (noem mij maar eventjes een epicurist) zullen zeggen: “Dat betekent dat we met ons allen anno 2010 in de economie leven van 2005 of 2004.”
Zeg nou zelf: waren dat nou van die slechte jaren? Ja, zullen groei-economen zeggen: die crisis betekent onder meer dat er nogal wat mensen werkeloos zijn geworden. En werkeloos zijn is geen pretje: dat tast zelfvertrouwen van mensen aan. Heeft toekomstverwachtingen van mensen verbrijzeld. Dus we leven niet met ons allen in die economie van 2004/2005 zoals die epicurist Starink zegt. Ik vind dat die economen daarmee een punt hebben. En ik vind daarom ook dat we die werkelozen moeten helpen waar en wanneer we maar kunnen. Hoe? In ieder geval niet door te zeiken dat mensen die werkeloosheid en wat daarop volgt, aan zichzelf hebben te danken. Dat de uitkeringen omlaag moeten want dat zet aan tot werk zoeken. Enzovoorts. Zelf vind ik de werkelozen van vandaag de Onbekende Soldaten van de economische strijd. De echte helden.
Hoe dan wel? Doordat we die mensen laten merken dat we om ze geven. Ik zou zelf bijvoorbeeld mijn cursusje levenskunst gratis voor niets aan werkelozen kunnen geven. Veel meer heb ik niet in de aanbieding – ik zou althans niet weten wat ………
Diepzinnige gedachte nummer 2:
Gedurende die economische crisis lijkt in ieder geval het “milieu-denken en – handelen” voortgang te maken. Ik zie steeds meer windmolens in Frankrijk, België en Nederland. Mensen mogen van mij vinden dat die het landschap ontsieren: ze lijken in de verste verte niet op die mooie Hollandse windmolens uit de 17-e eeuw. Waar. Maar die molens vond men in die tijd waarschijnlijk ook maar ondingen aan horizonten waar de koeien ook nog zure melk van gaven. En in mijn persoonlijke waarneming concentreert men die moderne windmolenparken met name op plekken die eentonig zijn (maar daar schijnen de mensen in Urk anders over te denken).
Natuurlijk gaat ook dat milieu-denken en –handelen als een Echternachprocessie. Dus niet van een leien dakje. Kopenhagen was niet een echt succes. Maar toch ook weer een stap vooruit ten opzichte van Tokyo. Zelf heb ik het idee dat in de milieutechnologie en dito industrie binnenkort zat werkgelegenheid zal gaan zitten. De crisis is daarmee niet alleen maar een actuele crisis maar ook een transitie naar een deels nieuwe economie. Waarin het graai-element hopelijk minder zal zijn dan voor de crisis.
Maar ook die transitie zal niet automatisch gaan. Neem nou de Gemeente Rotterdam: die verdomt het gewoon om te voldoen aan de wettelijke plicht om plastic apart in te zamelen voor hergebruik enz.
Daar zouden we als kleine dagelijkse Rotterdamse scharrelaartjes wat aan kunnen doen. We zouden gedurende een paar weken ons plastic afval kunnen stoppen in aparte vuilniszakken. Ons dan gelijk verbazen over de hoeveelheid plastic die we ieder voor zich verbruiken. En die zakken op 1 maart aanstaande demonstratief deponeren op de stoep van het Stadhuis.
Wie doet mee aan deze actie?
|
Inmiddels zijn we al een eindje in 2010. Mijn nieuwe appartement is ingericht: alle boekenkasten hebben weer hun plaats, alle boeken gesorteerd en wel op hun plaats. Categorieën (voor de systematici onder ons):
Nederlandse litteratuur – met daarbinnen subcategorieën:
Bordewijk
Hermans
Wolkers
Maarten ’t Hart
Filosofie
Buitenlandse litteratuur (al dan niet vertaald)
Geschiedenis (incl. sociale wetenschappen en politiek)
Diversen.
Ondanks mijn boekenmanie heb ik toch ongeveer 5 meter boeken weten te lozen. Studieboeken. Zelfs de Slegte pakt die niet meer aan. Vuilnisbak dus. Het is nogal wat als je x jaren studie met aansluitende carrière in de vuilnisbak sodemietert…….
Ik kan nu opscheppen dat ik het geweldig druk heb gehad. Nwah…. Dagelijks een beetje prutsen. Gerben, Roebie, Minke en Martijn hebben …..tig vierkante meter plafonds en muren geschilderd. De grootste klus voor mijzelf was eigenlijk om mijn boekenkasten weer schoon van nicotineaanslag te krijgen. Het terugplaatsen van de boeken ging toen bar snel.
Mijn nieuwe appartement is nog veel mooier geworden dan ik in mijn dromen heb gedroomd. Ik geniet dagelijks van het uitzicht op het Kralingsebos (noordzijde) en op de skyline van Rotterdam (zuidzijde). Zelfs als het mist en alles grijs is.
Maar er blijft nog wat te prutsen: een grotere keuken, diverse kunstwerkjes weer aan de muren, allerlei afwerkklusjes zo hier en daar. Het komt nu aan op volhouden en discipline – niet mijn sterkste punten…….
Ik heb mijzelf opgelegd om eind februari (2010) de hele zwik klaar te hebben. Hoe? Door bij deze te bepalen dat ik medio maart (2010) de eerste WieKent?-Weekendexpositie zal houden in mijn appartement.
Het kan helpen als je jezelf gewoon onder druk zet…….
Blijf op de hoogte van de WieKent-Weekend-expositie!
En houdt mij onder druk.
|
Er zijn van die dagen die mij blij maken. Deze donkere dagen rond Kerst en Oud&Nieuw 2009 zijn van die dagen. Veel mensen zien die dagen met angst en beven naderen als ik allerlei beschouwingen in kranten en op Internet-websites mag geloven. En eerlijk gezegd: ik heb ook wel Kersten en Oud&Nieuwen meegemaakt waarvan ik dacht: “Blij dat het weer voorbij is…”
Maar dit jaar zijn die Donkere Dagen vol van activiteit en vreugde. In de eerste plaats omdat de vernieuwing van mijn appartement goed opschiet. En omdat de boel nog veel mooier wordt dan ik in mijn meest optimistische dromen gedroomd had (met dank aan de verschillende mensen die mij geholpen hebben).
Gisteren kreeg ik ‘Groei en Bloei’ weer in de bus. Dat is een maandblad dat gewijd is aan tuinen, planten en nog wat van die dingen. Mooie foto’s en verhalen van en over mensen die van hun stadspostzegel iets maken (ook over tuinen in streken waar men ruimer woont overigens – en ook met die tuinen is niets mis).
In die laatste Groei en Bloei een leuk artikel over een jongeman (15 jaar; hij heet Jelle Medema ) die begonnen is met Makkelijke Moestuinen (afgekort: MM). Dat zijn tuinbakken van 1.20 bij 1.20 meter waarin je het hele jaar door je eigen groenten, kruiden en bloemen kunt kweken. Je kunt een enkele MM nemen maar ook meerdere. Het idee is een aantal jaren geleden komen overwaaien uit de VS (of was het Engeland?).
Als je meer informatie wilt hebben over MM: ga naar www.makkelijkemoestuin.nl. Als je daar geweest bent moet het wel raar zijn gelopen als je daaraan niet een blij gevoel hebt overgehouden….
Ik heb het idee dat we na de 2X00 (=2 keer niets) –jaren overgaan naar de 2010 jaren (twintigtien-jaren). De aanvang van het nieuwe millennium is voor velen niet veel soeps geweest. Allerlei angsten, berichten over onveiligheid etc etc hebben ons nogal beïnvloed. Aan als klap op de vuurpijl ook nog een heuse Crisis…. Het kon niet op.
Als ik de website van Jelle lees, bekruipt mij het gevoel dat we die negatieve manieren van kijken achter ons aan het laten zijn. Niet alleen maar oog voor de Grote Wereld waarin een hoop dingen mis zouden kunnen gaan. Maar ook oog voor wat in een bak van 1.20 x 1.20 meter goed kan gaan.
Als je er tenminste maar een minimum van aandacht aan geeft.
Luie Jelle (want zo durft hij zichzelf ook wel te noemen) vertelt je op zijn website hoe hij dat doet.
|
Stof
“Laat mij zien hoe iemand woont en ik vertel u wie hij is”, is een uitspraak die van een filosoof zou kunnen zijn (en misschien ook wel gedaan is – er is immers wat af gefilosofeerd in de loop der eeuwen).
Dezer dagen kunnen de mensen maar beter niet bij mij langs komen om te kijken hoe ik woon en wie ik dus zou zijn. Ik zit midden in een verbouwing: nieuwe kozijnen met daarin dubbel glas en een doorbraak door een muur inclusief de afwerking van het ontstane gat. Vorige week maandagmorgen - 7 december 2009 om precies te zijn - begonnen werklui stipt om acht uur de oude kozijnen te slopen. Om elf uur zaten de nieuwe kozijnen erin. Begin van de middag was de zaak glasdicht en begon men met afwerken: latjes en dergelijke om de boel rondom mooi te maken. In totaal een man of acht over de vloer gehad want kozijnenslopers zijn geen kozijnenmonteurs. En glasaanbrengers zijn geen afwerkers. Maar het moet worden gezegd: alle werkzaamheden sloten perfect op elkaar aan: eind van de middag was de kozijnenklus klaar. Filosofen zouden een voorbeeld kunnen nemen aan bouwvakkers……..
De volgende dag kwamen twee andere heren met een grote betonzaag voor het maken van de opening in de muur. Alles werd keurig netjes afgedekt met plastic en kon het zagen beginnen. Nou : ik heb het geweten: twee dagen betonzagen maakt een stof waar geen afdekplastic tegen bestand is.
Maar daar zou nog mee te leven zijn want een stofzuiger doet immers wonderen als je hem maar vaak en goed gebruikt.
Nou ben ik van nature niet zo’n enthousiaste interieurspecialist. Waarschijnlijk heb ik dat metier gewoon niet echt in de vingers. Maar zelfs als ik dat wel had gehad, had het niet geholpen. Want sinds de betonzagers ben ik in afwachting van de mensen die het ontstane gat zullen afwerken. Dat gaat gebeuren in twee etappes: vandaag zijn twee mensen bezig met grote gaten helen en donderdag komt de stucadoor voor het fijne afwerk-werk. Gaten in muren maken plus mooi maken valt kennelijk minder goed op elkaar af te stemmen…..
Inmiddels ben ik volleerd stofzuiger geworden. Dagelijks breng ik een uur of twee door met vegen en het bedienen van de stofzuiger.
Dat klinkt allemaal verschrikkelijk - en in zekere zin is het dat ook: stofzuigen tijdens een verbouwing heeft iets van Sysiphusarbeid.
Maar ik maak van de gelegenheid maximaal gebruik om te bekijken hoe ik mijn vernieuwde appartement zal inrichten. Ik kan mij nu al verheugen op een heringericht huis.
Dat mag iedereen dan komen bekijken om te weten te komen wie ik sedert de verbouwing ben……..
|
|
|
| | |